In de 19e eeuw wordt Amsterdam getroffen door meerdere cholera-epidemieën en vooral kinderen zijn daar de dupe van. Stadsdokter Samuel de Ranitz zamelt geld in en opent op 6 mei 1865 het eerste kinderziekenhuis in Amsterdam aan de Oudezijds Achterburgwal. Tot dan toe liggen kinderen in algemene zalen met volwassenen en krijgen zij nauwelijks passende zorg. Het nieuwe ziekenhuis, bedoeld voor kinderen uit arme milieus, start met slechts zes patiënten. De Ranitz bezoekt ze vaak persoonlijk in hun donkere, vochtige woningen en regelt kosteloze opname.
Iets later beschikt het ziekenhuis over twaalf houten kribben, die al snel worden vervangen door ijzeren bedjes. Hoewel het aantal opnames toeneemt, zijn de medische mogelijkheden beperkt. De nadruk ligt op verpleging en hygiëne. Infectieziekten als mazelen, tyfus en malaria eisen in deze jaren veel kinderlevens.